aandacht vragen of verstoppen

De meeste hoogbegaafde kinderen gedragen zich vrij normaal. Maar niet allemaal hebben ze hun gedrag volledig in eigen hand. Leidt afwijkend gedrag in de thuissituatie al tot communicatiestoornissen, op school krijgt verstoppen of aandacht vragen nog een heel andere lading.

Onderpresteren

Wanneer kinderen niet voldoende worden uitgedaagd om hun creatieve denkvermogen te gebruiken, mondt dat uit in onderpresteren[1]: minder presteren
 dan op grond van de capaciteiten mag worden verwacht, of relatief onderpresteren: het kind presteert goed op klasseniveau, maar zou veel meer aan kunnen. 
In het eerste geval hebben de ouders hogere verwachtingen van het kind op grond van de ontwikkeling in de eerste vier levensjaren. De leerkracht weet niet
 wat hij aan moet met de overtuiging van de ouders dat deze leerling verder in zijn ontwikkeling is dan leeftijdgenootjes. De leerling levert daarvoor geen enkel bewijs. En dus gaat hij twijfelen aan de hogere capaciteiten van het kind.

Het krijgt immers dezelfde kansen als andere leerlingen, maar het grijpt die niet aan
 om te laten zien wat het kan. Wanneer er sprake is van relatief onderpresteren zijn alle partijen tevreden, behalve de leerling zelf.
 Het onderpresterende kind voelt zich ongelukkig. Het raakt gefrustreerd dat het niet zichzelf kan zijn en zijn vaardigheden kan inzetten op zijn eigen niveau
 van denken en doen, zoals hij gewend was voordat hij naar de basisschool ging[2].
 Grofweg zien we dan twee soorten reacties, waarvan het ‘rebels’ gedrag’ voor de leerkracht de meeste problemen geeft.

Aandacht vragen

Het kind dat zich gaat zich verzetten tegen de school vraagt eigenlijk alleen maar aandacht voor zijn probleem. Het kan zich daarbij echter zo storend gaan gedragen in de klas, dat de leerkracht binnen afzienbare tijd niet meer weet hoe hij het kind moet benaderen. Deze vorm van afwijkend gedrag groeit
 soms uit tot een echte gedragsstoornis en het komt dan ook regelmatig voor dat een school voor zo’n leerling een procedure start om hem in het speciaal basisonderwijs te plaatsen. Wanneer de verwijzing naar de speciale school een feit is, gaat ook die school op zoek naar de juiste benadering voor het
 rebellerende kind. Maar als het storende gedrag in oorsprong is ontstaan door onderpresteren, is het erg moeilijk om dat te achterhalen in een heel andere onderwijsvorm. De groepen in het speciaal basisonderwijs zijn veel kleiner dan die in het reguliere basisonderwijs en daardoor kan de leerkracht de leerling
meer individuele aandacht geven. 


Zo gaat er voor de onderpresterende leerling soms al zoveel druk van de ketel, dat het gedrag al wordt gereguleerd voordat er verder onderzoek of andere maatregelen zijn getroffen. Wanneer er dan ook tijdens het (standaard) intelligentie onderzoek niet optimaal door de leerling wordt gepresteerd is het heel
 goed mogelijk dat zijn hoge intelligentie niet wordt ontdekt, maar dat het kind na verloop van tijd ook onbehandelbaar blijkt te zijn, eenvoudig doordat er 
geen duidelijke diagnose uit komt. En zonder diagnose is geen enkele behandeling verantwoord.
 Een leerling die niet thuishoort in het speciaal basisonderwijs
 gaat na verloop van tijd terug naar de gewone basisschool. 
De gedragsproblemen zijn echter nog niet voorbij of komen weer terug. De intelligentie valt nog steeds niet op en de tweede start in het basisonderwijs is een herhaling van de eerste. Weer wordt het rebellerende gedrag op de verkeerde manier bestreden
 en krijgt de leerling niet de juiste begeleiding. Weer lossen de maatregelen die worden genomen, niets op voor het kind. Het krijgt geen extra uitdagingen
 en er is met de jarenlange procedure niets bereikt. Waarmee maar al te duidelijk is: het zit ‘m in de omgeving. Wie denkt dat er bij de professionals nu een
 belletje gaat rinkelen, kan van een koude kermis thuiskomen. Deskundigen op het gebied van onderwijs, psychologie en orthopedagogiek hebben lang niet
altijd de specifieke kennis die nodig is om de problematiek van onderpresteren van begaafde kinderen te kunnen signaleren.

Verstoppen

Een tegenovergestelde reactie op onderpresteren is het aanpassen aan de verwachtingen van de leerkracht. Deze kinderen zien aan hun klasgenoten hoe
 anders zij zich hebben ontwikkeld. Ze tekenen anders, maken zich druk om heel andere dingen en stellen andere vragen. Om niet uit de toon te vallen kijken
 ze stiekem hoe hun medeleerlingen functioneren en imiteren dat gedrag. Ze laten niet meer zien wat ze zelf kunnen.
 Leerlingen die deze weg kiezen zijn zich,
 net zomin als de rebellerende leerling, bewust van die keuze. Ze kiezen onbewust een vorm om hun gefrustreerde gevoelens ten gevolge van het 
onderpresteren te kanaliseren waarbij ze zichzelf verloochenen. Ze doen zichzelf enorm veel geweld aan door zich in allerlei bochten te wringen om het de leerkracht ‘naar de zin’ te maken. Ze willen een perfecte maar onopvallende leerling zijn en geen belasting voor de juf of meester. 
Deze kinderen durven vervolgens niet te tonen hoe ongelukkig ze zijn op school uit angst dat de leerkracht dat op zal vatten als kritiek op zijn/haar werk.

Ze zien dat de juf haar uiterste best doet om goed en leuk onderwijs te geven en zijn bang dat ze haar ongelukkig maken als blijkt dat het niet voor alle
 kinderen even fantastisch is. Het laat zich raden dat ook deze kinderen ergens een uitlaatklep moeten hebben en dat is natuurlijk thuis. Daar reageren ze hun frustraties af, meestal als eerste op hun moeder.

Omdat de ouders wel begrijpen dat de negatieve gevoelens van hun kind worden opgelopen op school,
 gaan die na verloop van tijd met de juf praten over mogelijke verrijkingsmaatregelen. Gezien jufs eigen ervaringen met deze leerling is daar echter in haar
ogen geen enkele aanleiding toe. Het kind gedraagt zich voorbeeldig in de klas en juf heeft meer gemak dan last van dit aardige kind.

 Juf merkt niets van de frustratie waar de ouders het over hebben of de behoefte aan een ander onderwijsaanbod.
 Wat ligt nu meer voor de hand als oorzaak
 voor het lastige gedrag dan een dissonant in de thuissituatie? Op school vertoont het kind geen opvallende kenmerken en gedraagt het zich prima.
 Thuis zijn er gedragsproblemen. Dus moet dáár ook de oorzaak worden gezocht.

Nu gaan ook de ouders gefrustreerd naar huis. Zíj hebben niemand om zich verder op af te reageren en worden óf zelf opstandig en vechten door, óf gooien er al snel het bijltje bij neer. In beide gevallen is de kans dat op korte
termijn de juiste maatregelen worden getroffen voor de onderpresterende leerling, erg klein. Weer is er niets bereikt.
 Waarmee maar weer al te duidelijk is: het zit ‘m in de omgeving. Als er in de opleidingen voor leerkracht, psycholoog, pedagoog en dergelijke meer aandacht zou zijn voor onderpresteren en de hele problematiek daaromheen, zou veel kinderen een hoop ellende bespaard kunnen worden.

De omgeving

Gezien bovenstaande is het een interessante vraag wat de omgeving dan wél kan doen, nu er nog weinig algemene kennis is van de problemen van hoogbegaafden in het onderwijs.
Allereerst moge duidelijk zijn dat veel onderwijsopleidingen nog onvoldoende aandacht hebben voor (hoog)begaafdheid
en alles eromheen. Vanuit die vaststelling is het belangrijk dat de omgeving van de leerling zich relaxed gedraagt. Denk als onderwijsgevende niet meteen 
dat je iets niet goed doet als een kind gaat onderpresteren. Houd de blik op de leerling gericht en onderzoek wat er mis kan zijn. Neem ook de ouders 
serieus, luister naar hun verhalen en wees gealarmeerd wanneer de problemen zich alleen thuis voordoen.
Wanneer de oorzaak van afwijkend of gestoord gedrag werkelijk in de thuissituatie ligt, zie je dat gedrag ook op school. Wanneer er alleen thuis klachten
 zijn over het kind ligt de oorzaak vaak op school. Een op school rebellerend kind moet ook de alarmbellen laten rinkelen, juist wanneer de ouders thuis
 minder klachten hebben.


Als ouders is het belangrijk om je bewust te zijn van je rol als voorvechter voor je kind. Je bereikt niets door de zwarte piet naar
school te schuiven, maar je bereikt ook niets door de zaken te laten zoals ze zijn. Zowel de rebel als de aanpasser zijn afhankelijk van volwassenen die hen 
zien zoals ze werkelijk zijn en die hun behoeften kunnen onderkennen. Het lukt jonge kinderen nog niet om zodanig voor zichzelf op te komen dat meester 
of juf precies begrijpt hoe het onderwijs voor hen aangepast moet worden. Ook om die reden is het belangrijk dat ouders zich verdiepen in de noden van hun kind. Ze kunnen een grote steun zijn voor de onderwijsgevende wanneer beide partijen zich coöperatief opstellen.



Ter geruststelling is het goed te vermelden dat het treffen van uitdagende verrijkingsmaatregelen ook bij jonge kinderen de beste manier is om er achter 
te komen of we hier een bovengemiddelde leerling hebben die, anders dan andere leerlingen, behoefte heeft aan een programma dat wordt aangevuld met opdrachten die zijn creatieve denkvermogen activeren. Kinderen die deze begeleiding niet nodig hebben zullen er nauwelijks op reageren of al snel afhaken 
zonder daarover gefrustreerd te raken. Het is nu eenmaal niet mogelijk om iets te presteren wat niet binnen je mogelijkheden ligt.



Zo komen de echte slimmeriken vanzelf bovendrijven en is eens te meer duidelijk: het zit ‘m in de omgeving.



 

[1] Zie ook het hoofdstuk ‘Onderpresteren’

[2] Soms begint het onderpresteren al op de peuterspeelzaal. Ook daar is alertheid op onderpresteren dus geboden.